🇬🇧
10.3 📖 Inductive rules | verb tense
Inductieve regels | werkwoordstijd
We kunnen werkwoordstijden op verschillende manieren onderscheiden. Als eerste hebben we de tegenstelling tussen dingen die nu gebeuren (dicht bij het moment dat je spreekt) en dingen die in het verleden gebeurden (verder weg van het moment dat je spreekt).
Deze twee werkwoordstijden zijn de basis van alle werkwoordstijden: de tegenwoordige tijd en de verleden tijd.
De tegenwoordige tijd hebben we in de A1-module besproken.
tegenwoordige tijd
Talking about something happening now.
In deze les gaan we het hebben over de verleden tijd.
Met deze tijd kun je eindelijk praten over dingen die al gebeurd zijn.
New term unlocked!
verleden tijd
Een van de hulpwerkwoorden die samen met de stamvorm van een ander werkwoord worden gebruikt om onderscheid in stemming uit te drukken.
Academisch
–
English
Past tense
🇬🇧
Kijk nog eens naar de Bloktekst. Kun je herkennen welke werkwoorden iets zeggen over het verleden?
Tip: kijk naar andere woorden in de zin die iets zeggen over tijd.
🇬🇧
Iets bedacht? Klik op de knop om verder te gaan.
🇬🇧
Voorbeeldantwoorden:
Gisteravond was heel fijn. |
We deden dit onderzoek een jaar geleden. |
We voorspelden dit gisteren, maar het is nu zeker. |
Ik las vroeger altijd dikke boeken. |