10.9 Conjugations
Vervoegingen
We hebben twee varianten van de uitgang voor de verleden tijd:
- De eerste uitgang is -te(n).
- De tweede uitgang is -de(n).
Net als bij werkwoorden in de tegenwoordige tijd eindigt het meervoud op een -n.
De vuistregel ‘meer mensen, meer letters’ werkt hier dus ook.
Bij één persoon gebruik je de uitgang -te of -de, bij twee of meer personen gebruik je de uitgang -ten of -den.
hele werkwoord: werken | stam: werk | vervoeging | |
---|---|---|---|
enkelvoud | ik |
[stam] + te of [stam] + de |
werkte |
jij / u hij / zij / het |
|||
meervoud |
wij jullie zij |
[stam] + ten of [stam] + den |
werkten |
Hier kun je zien hoe dit werkt in de verschillende stamgroepen.
verleden tijd | stamgroep 1 | stamgroep 2 | stamgroep 3 | stamgroep 4 | |||
---|---|---|---|---|---|---|---|
werken | praten | stoppen | leven | reizen | |||
enkelvoud | 1 | ik | werkte | praatte | stopte | leefde | reisde |
2 | jij | ||||||
2 | u | ||||||
3 | hij / zij | ||||||
3 | het | ||||||
meervoud | 1 | wij | werkten | praatten | stopten | leefden | reisden |
2 | jullie | ||||||
3 | zij |